Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Ray Anderson en Marty Ehrlich speels en complex

CONCERTRECENSIE. Ray Anderson/Marty Ehrlich Quartet, ‘t Schuttershof, Middelburg, 10 maart
beeld: Eddy Westveer
door: Mischa Beckers

Jazztrombonist Ray Anderson is een wereldtopper. De man won vijf jaar op rij de titel beste trombonist in de Down Beat Critics Poll en de Penguin Guide to Jazz noemt hem de meest opwindende trombonespeler van zijn generatie. De veelzijdige Anderson speelt en combineert stijlen zoals jazz, funk, rhytm and blues maar ook avant-garde. Onder meer bij Charlie Haden, David Murray, Dr. John en John Scofield, en natuurlijk met zijn eigen ensembles. Anderhalf jaar terug vormde hij een nieuw kwartet met zijn kameraad Marty Ehrlich. Ook een muzikant met een behoorlijke staat van dienst. Vorig jaar kwam hun album ‘Hear you say’ uit.


Blazers Marty Ehrlich en Ray Anderson traden op in Middelburg, met contrabassist Brad Jones.

Anderson en Ehrlich kennen elkaar al sinds 1979 en bespraken een samenwerking regelmatig. Klaarblijkelijk was de tijd voor het vormen van dit kwartet pas rijp in 2009. Zowel Anderson als Ehrlich droegen stukken voor ‘Hear you say’ aan. Een belangrijke bron van hedendaagse jazz, New Orleans, bleek een invloed van betekenis. Natuurlijk niet de enige, zei Anderson. “Onze muziek is beweeglijk en heeft de vrijheid te refereren aan alle muziek in de wereld. Dit concept is aanwezig in de hele jazzgeschiedenis maar het werd briljant ontwikkeld door groepen als The Art Ensemble of Chicago en The Black Artists Group uit St. Louis eind jaren 60 en begin jaren 70 van de vorige eeuw. Ik kom uit Chicago en Marty uit St. Louis dus dit zijn natuurlijk belangrijke invloeden in onze muziek”, zo legde hij uit.

Het kwartet speelde het album ‘Hear you say’ bijna integraal. Al vanaf de eerste seconde straalden Anderson en Ehrlich een enorm speelplezier uit. Glimlachend en met bevestigende hoofdknikjes drukten ze bewondering voor elkaars spel en stukken uit. Als Anderson begeleidde gebruikte hij strakke, pulserende tonen. Zijn thema’s klonken loepzuiver en helder. De improvisaties van de trombonist zijn oorstrelend. Ongekend snelle loopjes, een dynamiekverschil van fluisterzacht naar een volume op scheepshoornniveau, kwaak – en wahwahgeluiden, al dan niet met een demper gespeeld, het geluid van een zwerm bijen of een cementwagen desgewenst, Anderson beheerst het allemaal tot in de puntjes. 


Slagwerker Eric McPherson, Marty Ehrlich, Ray Anderson.

Anderson's spel combineert mooi met dat van Ehrlich. Ehrlich's intro van ‘Portrait of Leroy Jenkins’ ging door merg en been. In zijn solo’s zocht hij minder dan Anderson de extremen en hij varieerde minimaal met volume. De klarinettist koos aansprekende lijnen, speelde die op een erg ritmische manier en gebruikte creatief pauzes en rusten om ze aan elkaar te smeden. Zo creëerde hij swingende en dynamische solo’s.

In veel van de stukken zitten reeksen stops en accenten. Op zich werden die vrijwel vlekkeloos uitgevoerd en ze sorteerden ook het gewenste effect. Echter, de complexiteit ervan vereiste dat de muzikanten, bij het naderen van zo’n reeks, gevieren, geconcentreerd, lang op hun tablatuur moesten turen. Brad Jones op contrabas en drummer McPherson begeleidden erg effectief, strak en initieel zonder veel poespas. Beiden kregen natuurlijk ook hun solomomenten. McPherson zette een spetterende solo neer, zeer dynamisch en vooral, groovy. McPherson deed een belangrijke inspiratiebron eer aan: zijn drumsolo startte hij met een marsritme en bouwde dat behoedzaam uit. Indruk maken betekent immers niet zoveel mogelijk zien te raken.

Zie ook:


© Jazzenzo 2010