Artikel geprint vanaf Jazzenzo.nl

Mihály Dresch Quartet geeft zich bloot

CONCERTRECENSIE. Bimhuis Amsterdam, Mihály Dresch Quartet, 31 mei 2007
door: Tim Sprangers

De Balkan rukt op. Haar invloeden vindt men in tal van culturele uitingen. Niemand kijkt gek op als in het clubcircuit een dansbeat is verweven met een Balkanmelodie (Shantel, Bob Markovic Band). Enkele weken geleden won een Roemeense film de hoofdprijs in Cannes. Maar wat gebeurt er als folk uit het oosten verweven raakt met jazz? Bij het noemen van de naam Mihály Dresch zal bij weinig mensen een belletje rinkelen. Onterecht. Dresch is een zeer begaafde saxofonist en laat zien hoe mooi, maar ook hoe triest en treurig jazz kan zijn als het in aanraking komt met Hongaarse folkinvloeden en wordt uitgevoerd door een gevoelige muzikant.

De 52-jarige Dresch zegt niet per sé een combinatie te willen spelen van free-jazz en Hongaarse folkmuziek. Hij speelt naar eigen zeggen vanuit levenservaring en voor degene die hij liefheeft. Hij is opgevoed in een omgeving waar traditionele muziek centraal stond en kwam als zeventienjarig studentje in aanraking met de muziek van Coltrane en Griffin. Deze invloeden gebruikt hij slechts als middel om zichzelf te uiten. Emoties spuit hij in muzikale verhalen.

Met dit in gedachten was het eigenaardig om naar het kwartet van Dresch te kijken. Uiterlijke emoties waren namelijk totaal afwezig. Gevoelens waren enkel opgesloten in de muziek. Het was verwarrend om te kijken hoe met statische lichaamshoudingen buitengewoon heftige muziek werd gespeeld. Dresch voelt zich niet beperkt door conventies en zuigt de luisteraar mee in zijn leefwereld. De passie die in zijn muziek ligt is bijna betoverend. Solo’s bouwde hij vaak wat rommelig op, maar zij mondden immer uit in een ontroerend hoogtepunt.

De melodieën uit de Balkan zijn vaak wat lief en zoet, maar in combinatie met de passie en jazz die Dresch hieraan toevoegt raken ze plotseling confronterend. De vrolijkheid maakt plaats voor een intense triestheid. Stukken van soms meer dan een half uur leken constant op zoek naar een soort bevrijding uit deze treurnis. Dit lukte heel af en toe als Miklós Lukács zich uitleefde op de cimbalon, een traditioneel Hongaars instrument. Het snaarinstrument, bespeeld met kleine hamers, gaf sprookjesachtige tinten aan het groepsgeluid. Tijdens solo’s speelde Lukács vuige noten in een onnavolgbare snelheid. De muzikanten Mátyás Szandai (bas) en István Baló (drums) overtuigden voornamelijk door soberheid. Baló speelde voornamelijk tijdens de eerste set wat houterig, maar dit stoorde niet. 

Na het laatste nummer liepen de vier Hongaren, met mondhoeken naar beneden, na een korte buiging en zonder het publiek aangekeken te hebben, snel naar hun kleedkamer. Even leek het op arrogantie. Het was echter bescheidenheid. Zonder reden. Het Mihály Dresch kwartet had zojuist gedurfd zichzelf totaal bloot te geven aan het publiek. 


© Jazzenzo 2010